Plug&play-variant

Wanneer is een ontwerp daadwerkelijk een productinnovatie? Wie bepaalt dat? En is er een kwalificatie aan verbonden? Een eenduidige definitie van productinnovatie is niet te vinden. Maar gemakshalve gaan we er vanuit dat een productinnovatie vernieuwend is en vooral beter en anders dan voorgaande producten.
Een productinnovatie ontstaat dus eigenlijk altijd uit een behoefte; want het kan tenslotte altijd: mooier, beter, sneller, stiller, groter òf kleiner, goedkoper, duurzamer, milieuvriendelijker, enzovoorts. Grote aanjagers van huidige productinnovaties en -ontwikkelingen zijn: energieprestatie, circulaire economie, milieuprestaties van gebouwen en CO2 reductie.
Binnen de scope van de verwarmingsindustrie omvat een productinnovatie standaard drie (3) elementen: energie-efficiënt, een zo laag mogelijke milieubelasting door te kiezen voor recyclebare materialen én een lage CO2 uitstoot van het systeem waarin het product wordt toegepast. Het gaat hier dus om het slim combineren van allerlei mogelijkheden om tot het meest optimale product te komen.
De verwarmingsindustrie heeft in de loop der jaren al heel wat productinnovaties laten zien, zoals de transities van steenkool naar olie, olie naar aardgas, vr-ketels naar hr-ketels en van hr-ketels naar hybride warmtepompen. Vooral in de laatste 25 jaar zijn door de keten enorme besparingen gerealiseerd in het verwarmen van de gebouwde omgeving. Zo is het aardgasgebruik van gemiddeld 3000 m3 per jaar per huishouden in 1990 teruggebracht naar 1400 m3 per jaar per huishouden in 2017 (bron: CBS).
En juist die hybride verwarmingsinstallatie, waarbij de sterke kanten van een hr-ketel en een warmtepomp bij elkaar worden gebracht is op dit moment een praktische ‘no-regret’ verwarmingsoplossing voor met name de bestaande bouw. Hierbij is de eigenaar ervan verzekerd dat zijn installatie op toekomstige CO2-vrije energiedragers kan functioneren én ook -afhankelijk van prijs en beschikbaarheid- kan overschakelen tussen CO2 vrij gas en CO2 vrije stroom.
Daarmee is deze productinnovatie een uitstekende oplossing voor de transitiefase waarmee direct wordt bespaard zonder dat er sprake kan zijn van een lock-in voor toekomstige CO2 vrije energiedragers en productinnovaties.
De volgende productinnovatie die eraan zit te komen is de zogenaamde plug&play-variant. Het verduurzamen van de totale – en vooral bestaande – gebouwde omgeving is een hele opgave. Om die uitdaging aan te gaan is een flinke opschaling van het aantal goed opgeleide installateurs noodzakelijk. Opschaling of niet, het installeren van hr-ketel- en warmtepompdeel moet sneller en eenvoudiger kunnen, de plug&play-variant moet daar aan tegemoet komen.
De verwarmingsindustrie heeft de afgelopen 60 jaar aan de basis gestaan van alle grote innovaties binnen de warmtevoorziening van de gebouwde omgeving en de daarmee gepaard gaande energiebesparing én maatschappelijke kostenreductie. Juist die twee laatste elementen zijn ook steeds meer van toepassing op de individuele gebruiker. De eindgebruiker wil inzicht en controle op het verbruik en dus de kosten. Het instellen van een dag of weekprogramma op de thermostaat is allang niet meer van deze tijd. Digitalisering is de toekomst en ook de thermostaat heeft een ‘smart switch’ gemaakt; want realtime en op aftand te bedienen door een app.
Op deze manier is de klant dus eigenlijk altijd ‘connected’ en voorzien van gebruiksgemak (geen gedoe). Boven­dien zijn de huidige verwarmingstoestellen in staat om op afstand een onderhoudsindicatie af te geven en via een zelfdiagnose de onderhoudstijd te versnellen en te verkorten. Met de gewezen productinnovaties wordt de klant voorzien van een altijd werkend verwarmingssys­teem dat is ingericht naar de persoonlijke wensen en voorkeuren.

Henk Sijbring, Voorzitter De Nederlandse Verwarmingsindustrie i.o.

Energieneutraal bouwen

Voor alle nieuwbouw een uitgangspunt, geen streven

Vanuit mijn werk als adviseur duurzaamheid en bouwfysica ben ik betrokken bij heel wat tenders. Voor kantoorgebouwen, voor woningen of voor combinaties van uitgaansgelegenheid, wonen en werken. In alle gevallen legt de gemeente bepaalde wensen en randvoorwaarden op. Niet voldoen aan de wensen van de gemeente is toegestaan, maar wil je enige kans hebben om de tender te winnen, dan doe je er verstandig aan minimaal iets vergelijkbaars of beters te bieden. En wat dan opvalt: alle gemeenten vragen energieneutrale projecten. Het is zelfs zo dat met een energieneutraal voorstel je jezelf niet zal onderscheiden. Bied je minder, dan maak je geen kans om te winnen. Maar probeer je jezelf op de borst te kloppen met een energieneutraal plan, dan zal de gemeente je vragen waar de rest van je voorstel blijft.

Het lijkt erop dat gemeenten beter in de gaten hebben dan veel bouwpartijen welke transitie aanstaande is en welke rol het Bouwbesluit hierin speelt. Er is veel discussie in de markt over het besluit van de overheid om de gebouwde omgeving van het gas af te halen. Tegelijkertijd wordt de EPC vervangen voor BENG-eisen, die weer hun eigen leercurve met zich meebrengen. Maar wat nog wel eens wordt vergeten, is dat het Bouwbesluit een ondergrens aangeeft. Slechter dan dit is verboden, soms zelfs strafbaar. Heel Europa is op weg naar een energieneutrale gebouwde omgeving, maar Nederland sukkelt schoorvoetend achter de rest van de Europese landen aan, onderwijl onszelf wijsmakend dat we zo goed bezig zijn.

Onzin natuurlijk, het kan allemaal veel beter. Gelukkig is er al een heel aantal partijen die dit weten en ook werkelijk uitvoeren. En in tegenstelling tot waar velen bang voor zijn, hoeft dit ook niet extra veel geld te kosten. Wat wel nodig is, is dat beter en integraler over oplossingen wordt nagedacht. Een goed geïsoleerde en kierdichte schil, rekening houden met locatie en oriëntatie, en afstemming met installatietechnische oplossingen. Wordt hiermee ontworpen en is het streven om een goed gebouw neer te zetten, dan is het Bouwbesluit helemaal geen issue meer.

Voor sommige partijen zal dit betekenen dat ze nieuwe paden moeten bewandelen. Het standaard hr-keteltje dat altijd een onbeperkte stroom aan warmte kon leveren mag niet meer. Nu zal ineens nagedacht moeten worden over de meest optimale oplossing. Voor de een betekent dit misschien het uitdenken van een totaalconcept met isolatie, warmtepomp en buffervat. Voor een ander opnieuw leren wat er op de markt te krijgen is, met bijscholing, praten met verschillende leveranciers en fabrikanten, resulterend in een nieuw pakket van diensten dat wordt aangeboden. Op de oude voet doorgaan is in ieder geval niet meer aan de orde. De aankomende BENG-eisen forceren een systeemdenken waarbij niet meer los gestapeld kan worden met maatregelen, maar integraal moet worden nagedacht over de relatie tussen isoleren, gebruiken en opwekken.

Dat hoeft helemaal niet vervelend te zijn. Ik heb met veel plezier mijn eigen woning ontworpen en gerealiseerd – gasloos uiteraard – waarbij ik verschrikkelijk veel heb geleerd in het proces van ontwikkelen en uitvoeren. Comfortwensen stonden aan de basis van de prestatie-eisen voor het ontwerp. De Bouwbesluit-check was daardoor slechts een formaliteit, en het resultaat een heerlijk comfortabele, gezonde en energieleverende woning.
Voor alle nieuwbouw wat mij betreft een uitgangspunt, geen streven. En ik ben vast niet de enige die er zo over denkt. Toch?

dr. ir. B.L.H. (Bas) Hasselaar
Adviseur Bouwfysica en Duurzaamheid

Het huwelijksbootje in

De installatiewereld als partner naast de architect

Als we het hebben over onze visie ‘op weg naar een energieneutraal 2025’ moeten we ook eens terugkijken. En ons realiseren dat we nu echt, na een lange verlovingstijd, ‘all or nothing’ het huwelijksbootje in moeten! Huh? Hoe zo?

Het was 31 januari 1977: Op de plaats waar ooit de Parijse Halles stonden, waar de Franse keuken haar verse ingrediënten vandaan haalde, werd een nieuwe hal voor moderne kunst geopend. Het Centre Pompidou. Ontworpen door niet-Franse architecten: Richard Rogers (It/GB) en Renzo Piano (It). Een grote hal met de gebouwtechniek pontificaal zichtbaar aan de buitenzijde.

Het publiek was niet onverdeeld enthousiast: “Het lijkt wel een olieraffinaderij”, klonk het.
Ikzelf vond het tegelijkertijd lelijk en fascinerend. Mijn oom, wijlen prof.dr.ir. A.W. Boeke en destijds hoogleraar Binnenklimaatregeling in Delft, had mij al bijgebracht hoe complex een goede klimaatbeheersing in een (groot) gebouw is. Maar techniek hoefde toch niet zo nadrukkelijk in het zicht?

E.G. Lachniet was positiever en schreef in de NRC: “Nog niet eerder heeft de geest der machines zich zo geniaal uitgedrukt in een architectonisch meesterwerk.” Ook nu het gebouw was voltooid leek het nog steeds in aanbouw. Dat was in zijn ogen symbolisch voor moderne kunst: “Het blijft in de steigers staan en is geen mausoleum voor iets wat al dood is.”

En hij vervolgt: “Onze bouwwerken zijn eigenlijk allang min of meer fabrieken. Diverse stromen van elektriciteit, gas, warm water, koud water en vuil water, van mensen en dingen komen samen in een gebouw en werken op elkaar in.” De spijker op z’n kop.

Lachniet stelt dat, door de technische infrastructuur tot gevelversiering te verheffen, het “mechanische, materiële en dienstbare wordt buitengesloten om binnen een geweldige ruimte vrij te geven aan de creatie.” Maar zat er niet ook een boodschap in over de techniek? Die binnenruimte was toch ook mogelijk met een aparte technische bouwlaag?
De eerste tentoonstelling was gewijd aan Marcel Duchamp onder de titel ‘Machine Célibataire’, de ongehuwde, celibataire, zeg maar buitengesloten machine. Dat had Lachniet ook te denken kunnen geven.
Maar vaak duurt het na zo’n architectonisch statement ruim een generatie voordat de maatschappij echt in beweging komt. Met de techniek aan de buitenzijde lieten de architecten zien dat een gebouw een technisch ding is. De ‘machine’ moet stoppen met het celibaat en een gelijkwaardige positie krijgen bij het ontwerp; er dus feitelijk mee in het huwelijk treden.

Een goede architect integreert de techniek in het ontwerp. Geeft de techniek de ruimte, niet alleen in de vorm van technische ruimten, maar ook van budgetten. Immers, de kwaliteit van een gebouw is niet alleen visueel. Een gezond en comfortabel binnenklimaat is zelfs het primaire doel van een gebouw. Anders konden we onze activiteiten goedkoper outdoor doen! Zo’n binnenklimaat vereist techniek die bovendien niet ten koste gaat van de omgeving, dus tenminste energieneutraal is.

Toch bleef de techniek die nodig is voor een goed binnenklimaat nog decennialang een sluitpost. Ventilatie-eisen worden niet altijd gehaald. Circulariteit, multifunctionaliteit en schaalbaarheid zitten nauwelijks in het (technische) ontwerp. Het klimaatakkoord van juni jl., niet toevallig ook ruim vier decennia na het eerste Rapport van de Club van Rome, is een stimulans voor de installatiewereld. Het brede publiek kent inmiddels de term ‘warmtepomp’.

Een circulaire benadering van (ook) de installatiewereld dwingt tot identificatie, demonteerbaarheid en herbruikbaarheid van onderdelen en componenten. Op weg naar een energieneutraal 2025 zal de installatiewereld zich nu echt moeten ontworstelen aan de vaak nog achterste positie in de rij bij de uitvoering naar een gelijkwaardige plaats als partner naast de architect.

Willem Boeke,

EverythingSustainable.nl

Gasloos, maar met verstand

U heeft het vast al gemerkt: de markt is ‘om’. We gaan van het gas af; in elk geval van het Groningse aardgas. Dat zal impact hebben in elke gemeente, elke wijk, achter (bijna) iedere voordeur en op de bedrijfsvoering van de hele bouw- en installatiesector. Maar laten we het wel met verstand doen, want anders wordt ‘gasloos’ een belemmering om door te stappen naar de stip op de horizon: een fossielvrije gebouwde omgeving.
Sinds begin dit jaar lijkt het wel of alle twijfel uit het debat is verdwenen. Of het nu veroorzaakt wordt door de wereldwijde signalen van klimaatverandering, de duidelijke keuzes van een nieuwe regering of het besef dat de roofbouw op Groningen moet stoppen; de conclusie is steeds dat een energietransitie in Nederland onontkoombaar is en dat de gebouwde omgeving daarin een belangrijke rol te spelen heeft. Vooral de keuze voor het versneld beëindigen van de winning van Gronings aardgas maakt indruk. Het beeld dringt zich op dat iedereen zo snel mogelijk zijn gasmeter uit woning of bedrijf moet werken. Maar zal dat ook de praktijk zijn?

Het is belangrijk een onderscheid te maken tussen nieuwbouw en grootschalige renovatie aan de ene kant, en de 7 á 8 miljoen bestaande woningen en gebouwen aan de andere kant. Bij nieuwbouw – en alles wat daar qua ingreep sterk op lijkt – ligt de keuze voor de hand: gasloos! Dit betekent voor de komende jaren dat het merendeel van de panden all-electric zal worden. Want de grootschalige uitrol van nieuwe duurzame warmtenetten zal wel wat tijd zal vragen en lokale of gebouwgebonden biomassa zal een niche blijven.

De grote uitdaging is de bestaande voorraad. Ook dat is geen nieuws en het krijgt dan ook terecht veel aandacht. Daarbij klinkt enerzijds het ‘onmogelijk’ en ‘onbetaalbaar’ terwijl er aan de andere kant simpele en goedkope oplossingen gepresenteerd worden met een hoog wishful-thinking-gehalte. Daarbij is verstand dus broodnodig; gebaseerd op vakkennis, ervaring en praktijkinzicht. Met een open oog voor echte innovatie, maar ook een scherpe blik om illusies te doorzien.

Op korte termijn heeft de markt behoefte aan meer duidelijkheid en aan een vorm van regie. Gemeente en netbeheerders krijgen daarbij een centrale rol. Nog dit jaar zullen we de eerste warmteplannen zien, waarbij op wijkniveau de kaders worden aangegeven. Waar komen warmtenetten, waar worden gasnetten afgekoppeld en waar zullen deze juist nog een aantal jaar blijven functioneren? Nog een jaar later is dit voor het overgrote deel van Nederland bekend. Zo snel kan het gaan.

In de tussentijd rinkelt de telefoon en pingt de email met aanvragen om nu al met een passend antwoord te komen. Daarbij is het verleidelijk te kiezen voor de meest simpele maatregelen: elektrisch verwarmen in combinatie met een dak vol PV geeft de illusie van eigen regie en onafhankelijkheid. De realiteit is dat het in veel gevallen de problemen neerlegt bij het netbeheer. De eigenaar van het pand wordt sterk afhankelijk van de beprijzing van de elektriciteit, zeker nu de salderingsregeling herzien wordt. Bovendien zal zo de CO2-uitstoot op landelijk niveau blijven stijgen, omdat de elektriciteit de komende jaren nog voor het merendeel ‘grijs’ is. Daarmee wordt gasloos een belemmering naar echt CO2-neutraal. Daarom het pleidooi om altijd te kiezen voor een combinatie van vraagbeperking (isolatie) met slimme opwekking van elektriciteit en van warmte/koude. Dan blijft er plaats op het dak om ook de energie voor wasmachine en elektrische auto lokaal op te wekken. Dan maken we oplossingen voor de korte en de lange termijn.
Dus gasloos? Ja! Maar wel met verstand.

Ir. Harm Valk
Senior adviseur en partner Nieman Groep

Scoren op duurzaamheid

Dat doe je samen

We realiseren zo’n 55.000 á 60.000 nieuwbouwwoningen per jaar, met een groeiverwachting van 5 á 6%. Daarnaast heeft Nederland zo’n 7,2 miljoen woningen, waarvan circa 45% in bezit is van woningbouwverenigingen en vastgoedeigenaren. Deze moeten bijna allemaal energieneutraal worden in 2050. Een gigantische opgave voor de aankomende jaren. Een korte rekensom voor de bestaande bebouw leert dat we per direct zo’n 200.000 woningen per jaar energieneutraal moeten maken.
Nu wil ik zeker niet sceptisch zijn, maar zolang we blijven presteren op basis van de EPC, of straks de nieuwe BENG-methodiek, kan een nieuwbouwwoning nog steeds van een combi cv-ketel worden voorzien. Belachelijk maar helaas veelal de realiteit. En de marktpartijen maar roepen dat ze goed bezig zijn, terwijl ze alleen maar voldoen aan de minimaal gestelde eisen (EPC = 0,4). Slechter bouwen mag gewoonweg niet! De beleidsmakers moeten daarom sneller schakelen. Nieuwe aardgasinfrastructuren moeten verbannen worden.

De mogelijkheden voor energieneutraal in de nieuwbouw zijn makkelijker en sneller in te vullen dan in de bestaande bouw, mits deze ambitie gelijk aan de voorkant wordt afgestemd. De meerkosten zijn gering t.o.v. een EPC van 0,4 naar een energieneutrale woning.
Maar de grootste opgave zit in de bestaande bouw. Daar zien we sinds 2017 een forse groei ontstaan vanuit met name woningbouwverenigingen. Deze sturen 9 van de 10 keer aan op de minimale eis, namelijk een Energie-Index (EI) die ligt tussen 1,2 en 1,40 (label B). Dit is verre van het gestelde ambitieniveau. Met andere woorden, de duizenden woningen die dit bureau inmiddels gepasseerd zijn, komen we in de aanloop naar 2050 nog een keer tegen.

Op landelijk niveau is het vanuit de dagelijkse praktijk makkelijk tieren op wat de beleidmakers wel of niet voor ons uit de hoge hoed toveren. Hoewel de verduurzaming in gang is gezet – maar niet snel genoeg! –, zijn er nog voldoende opdrachtgevers die zich beperken tot de minimaal gestelde korte termijn eisen. Liever op de korte termijn pappen en nathouden, dan op de lange termijn werken aan exploitatieduurverlening, CO2-reductie, verduurzaming, energiebesparing, levensloopbestendigheid en comfortverhoging.

En installateurs? Velen moeten nog even ernstig wakker worden. Niet de overheid is de sleutel tot het succes van verduurzaming. Die ligt in het eigen vermogen om onderscheid te maken en om soms niet al te slimme, niet kwaliteit gerichte opdrachtgevers hiervan bewust te maken. Investeer in kennis en kwaliteit, zorg voor een perfecte werkomgeving en laat de buitenwereld zien dat we in een geweldige branche actief zijn. Dit geeft weer een positieve uitstraling voor de toekomstige instroom.
Maar er moeten meer partijen in beweging te komen. Niet zozeer vanuit de traditionele aannemer-onderaannemer-structuur, maar vanuit de prestatiegedachte. Bovenal moeten die partijen dicht bij de mensen staan. Ofwel: samen scoren op duurzaamheid is de sleutel naar energieneutraal.

Ing. E. (Erik) Bek, eigenaar van IDEA Nederland en E&B engineering en bouwbegeleiding

Morgen energieneutraal begint vandaag

Ivo Opstelten

Hier vindt u de 1e editie van IZ Neutraal: een nieuwe uitgave bij de IZ waarin fabrikanten en leveranciers inzicht geven in hun nieuwe producten die een belangrijke rol kunnen spelen om gebouwen energieneutraal te maken, in één keer of in stappen. Daar word ik blij van.

De realisatie van een energieneutrale gebouwde omgeving is zo ongeveer mijn persoonlijke missie sinds 2004. Toen werkte ik bij TNO en was die missie hetgeen wat TNO en ECN tot een serieuze samenwerking bracht. Daar heb ik de ontwikkeling van technologieën, die nu echt doorbreken, van nabij mogen meemaken. Dan denk ik aan warmtepompen, PV-systemen met een almaar hoger rendement, maar ook PVT-panelen (combinatie van zonthermie en zon-PV in één paneel) en ventilatiesystemen met warmteterugwinning én (CO2-)vraagsturing. Zelfs het simpelweg zorgen dat de geïnstalleerde technologie optimaal presteert, door bijvoorbeeld waterzijdig inregelen, was toen nog werk voor de kennisinstituten, in plaats van de praktijk.

In die tijd werden ook de eerste concepten voor een volledig energieneutrale woning (nieuw of gerenoveerd) uitgewerkt, vanuit de maatschappelijke opgave en het belang vanuit de overheid. Sinds 2010, onder stimulans van het Energiesprong programma, gingen marktpartijen zelf hiermee serieus aan de slag. In 2013 brachten zij energieneutrale nieuwbouw en renovatie letterlijk en figuurlijk in een Stroomversnelling met de introductie van Nul op de Meter (NOM). Nu is NOM hard op weg 'de nieuwe norm' te worden voor nieuwbouw en schaalt het al flink op bij renovaties in de huursector.

Maar de particuliere sector is andere koek. Toen ik in 2010 mijn eigen woning naar energieneutraliteit wilde laten renoveren, heb ik persoonlijk ervaren waar de uitdagingen nog liggen. Niet bij de aanwezige technologie maar bij de kennis daarover en (zeker toen nog) de lange terugverdientijd ervan. Toch wilde ik niet opgezadeld worden met halve maatregelen die het doorpakken naar energieneutraliteit in de weg kunnen komen te staan, of erger nog, kunnen leiden tot suboptimaal woongenot. Dat bracht mij er toe om een 'no-regret' aanpak voor mijn woning uit te werken. Die aanpak, vastgelegd als de PIAF (Prepared In all Aspects for Future developments) methodiek, ging niet uit van de technologie als startpunt, maar de woonwensen en daarvan afgeleide functionele prestatie-eisen. Niet alleen huidige gebruikseisen, zoals zomercomfort, maar ook toekomstige gebuikseisen, zoals gelijkvloerse bewoning en de overstap op elektrisch rijden, werden meegenomen in het plan om te komen tot energieneutraal, comfortabel en blijvend betaalbaar wonen. Dat werd gelegd naast de mogelijkheden van de technologie die bij het volgende mutatiemoment (installatievervanging) beschikbaar komen, zoals een warmtebatterij voor seizoensopslag van warmte. Overstap naar lagetemperatuur-verwarming dicteerde de schilprestaties (vloer, gevels, ramen, dak) voor dit renovatiemoment. Tot slot volgde, mede vanuit de levensduurkostenbenadering, de logische installatietechnologie voor de eerste periode.

Een no-regret naar energieneutraal benadering is nog allesbehalve gemeengoed, maar onontbeerlijk als we particuliere woningeigenaren meer willen bieden dan het aansluiten op de technologie van vandaag. Het vereist kennis van wat er te koop is en gaat komen, maar vooral ook een andere benadering. Een benadering, waarbij technologie als oplossing voor een woonwens gebruikt wordt in een klantreis die doorloopt tot aan energieneutraliteit. Met de inhoud van deze bijlage IZ Neutraal krijgt u een beeld van wat er allemaal te koop is. Daarmee kunt u direct werken aan die nieuwe klantgerichte aanpak. Een aanpak met oog en oor voor de gevraagde woonwensen én de latente woonwensen: wensen waar de klant nog geen weet van had totdat u er op wees dat die ook binnen bereik zijn gekomen. Veel inspiratie toegewenst!

Ivo Opstelten

Lector Nieuwe Energie in de Stad, Hogeschool Utrecht

Strategie en Manager Particulieren&VVE's, Stroomversnelling